Wil hij niet, of kan hij het nu even niet?
Hetzelfde gedrag, twee totaal verschillende verhalen. En je hele aanpak hangt ervan af — thuis, op school en in elk plan dat over jullie gezin geschreven wordt.
Je kind blijft op de bank liggen terwijl de tas ingepakt moet worden. Jij ziet onwil. Iemand anders ziet vastlopen. Wie heeft er gelijk?
Het gekke is: van buiten zien die twee er precies hetzelfde uit. En toch vraagt de een om een grens, en de ander om een steuntje. Kies je verkeerd, dan werkt alles wat je doet averechts. Sterker nog: dan bevestig je precies datgene waar je vanaf wilt.
De douche die elke avond oorlog is
Kwart over acht. Douchen. Hij zegt: zo meteen. Om negen uur ligt hij er nog. Je wordt bozer, hij graaft zich dieper in, en om half tien staan jullie tegenover elkaar in de gang over iets wat vijf minuten had moeten duren.
In je hoofd loopt intussen de teller: dit is de zevende avond op rij. Hij weet precies wat er moet gebeuren. Hij doet het gewoon niet. Toch?
En dan komt de zin waar elke ouder een keer bij aankomt: als hij het echt zou willen, zou het wel lukken. Dat klinkt logisch. Maar het klopt alleen als willen en kunnen hetzelfde zijn. En dat zijn ze niet.
Herkenbaar?
In de vakantie, op de camping, stapte hij zonder morren onder de buitendouche. Dezelfde jongen, dezelfde taak, ander moment. Dat is geen toeval, dat is informatie. En het is de belangrijkste informatie die je hebt.
Kunnen is geen vast gegeven
We denken over vaardigheden alsof ze een schakelaar zijn: je kunt het, of je kunt het niet. In werkelijkheid lijkt kunnen meer op een accu. Op maandagochtend zit hij op negentig procent. Op vrijdagmiddag, na vijf dagen jezelf ophouden, op zeven.
Wat hij op negentig procent moeiteloos doet, is op zeven procent een berg. Niet omdat hij dwarsligt, maar omdat plannen, starten en jezelf ergens toe zetten precies de dingen zijn die als eerste uitvallen als iemand op is. Dat geldt voor volwassenen net zo goed. Denk aan de laatste keer dat je na een loodzware werkdag nog een formulier moest invullen.
En dan is er nog een verschil dat vaak wordt gemist. Iets niet doen kan ook betekenen: ik weet niet waar ik moet beginnen. Opruimen klinkt als één taak, maar bestaat uit veertien stappen. Wie geen overzicht heeft, ziet geen eerste stap, en blijft dus liggen. Van buiten heet dat lui. Van binnen voelt het als verlamd.
“Als straffen zou werken, was het na de tweede keer opgelost.” — Ayoub Adardor, APZW
De test die vijf seconden kost
Stel jezelf één vraag: lukt dit hem wél als alles meezit? Op een rustige zondag, uitgeslapen, zonder publiek, zonder tijdsdruk?
Is het antwoord ja, dan gaat het waarschijnlijk om capaciteit en niet om karakter. Dan is de vraag niet hoe je meer druk zet, maar hoe je de drempel verlaagt of het moment verschuift.
Is het antwoord nee, ook op zijn allerbeste dag niet, dan mist er simpelweg een vaardigheid. En vaardigheden leer je niet door consequenties, die leer je door oefenen met iemand ernaast. Niemand heeft ooit leren fietsen door zijn fiets af te pakken.
| Hij begint gewoon niet | Hij ziet de eerste stap niet |
| Ze doet expres traag | Ze schakelt trager onder spanning |
| Hij luistert niet | Er komen te veel opdrachten tegelijk |
| Ze wil niet meewerken | Ze is bang om het fout te doen |
| Hij overdrijft | Hij voelt het echt sterker dan jij het ziet |
Wat wij hierin zien in de praktijk
Bij bijna elk gezin dat bij ons komt, staat ergens in een verslag het woord motivatie. Meestal met “onvoldoende” ervoor. En bijna elke keer blijkt bij navraag dat het gedrag ergens anders wél lukt: bij oma, op stage, bij de buurman in de schuur, of in de vakantie.
Dat is voor ons het startpunt. Wij zoeken de uitzondering. Waar lukt het wel, hoe laat op de dag, met wie erbij, en hoe zag die taak er toen uit? In die uitzondering zit het recept.
En dan doen we iets wat verrassend vaak werkt: we maken de taak kleiner dan redelijk lijkt. Niet omdat we weinig van een jongere verwachten, maar omdat iemand die in beweging komt, meestal verder komt dan de bedoeling was.
Wist je dat?
De vaardigheden die je nodig hebt om te starten, te plannen en jezelf te remmen, zitten in het deel van het brein dat het laatst volgroeit — ergens midden twintig — en dat als eerste terugschakelt onder stress. Precies dat deel vragen we van kinderen aan het eind van een lange dag.
Wat kun je hiermee ?
Verklein de opdracht tot iets belachelijk kleins. Niet: ruim je kamer op, maar: pak de bekers van je bureau. Wie begint, gaat vaak door. Wie naar een berg kijkt, blijft liggen.
Doe de eerste stap samen. Even meelopen naar de badkamer, even naast hem gaan zitten bij het huiswerk, samen de tas openmaken. Dat is geen verwennen, dat is aanslingeren. Je haalt de motor op gang en stapt er daarna uit.
Verschuif zware taken naar het moment dat de accu voller zit. Douchen vóór het avondeten in plaats van erna. Huiswerk in het weekend in plaats van op vrijdagavond. Kleine verplaatsing, groot verschil.
En verander één woord: nog niet. Hij kan het nog niet alleen. Dat laat de deur open, voor jullie allebei. Het verschil tussen “hij wil niet” en “hij kan het nog niet alleen” is het verschil tussen een verwijt en een plan.
Probeer dit eens
Schrijf een week lang op wanneer het wél lukte. Kijk daarna naar het tijdstip, niet naar de taak.
Knip één vaste ergernis op in stappen en schrap er twee. Wat overblijft, is het echte begin.
Zeg één keer per dag hardop: dit lukt je nog niet alleen, ik help je met het eerste stukje.
En als school iets anders ziet dan jij?
Dat komt vaak voor, en het is meestal geen meningsverschil maar een verschil in context. Op school ziet men de ingehouden versie: een kind dat zich zes uur lang groot houdt. Jij ziet thuis wat daarna overblijft.
Allebei is waar. Het lastige is dat de conclusies uit die twee beelden tegenover elkaar kunnen komen te staan. School denkt: het gaat prima, dus thuis moet er iets anders spelen. Jij denkt: als het thuis zo misgaat, moet het op school ook wringen. Zodra je die twee beelden náást elkaar legt in plaats van tegenover elkaar, ontstaat er ruimte.
Wat daarbij helpt, is heel concreet worden. Niet: hij kan niet plannen. Wel: hij begint pas als er iemand naast hem gaat zitten, en dat lukt in de ochtend beter dan in het laatste uur. Zulke zinnen kan een mentor gebruiken; algemene termen niet.
Spreek daarnaast één ding af dat op beide plekken hetzelfde gaat. Bijvoorbeeld: taken worden in maximaal drie stappen gegeven, thuis en op school. Dat is een kleine afspraak met een groot effect, want een kind dat overal dezelfde structuur krijgt, hoeft niet elke keer opnieuw uit te zoeken wat er van hem verwacht wordt.
Van Ayoub
Ik werk vaak met jongeren waarvan gezegd wordt dat ze niet willen. En bijna altijd blijkt dat er iets anders speelt. Ik heb jongens gezien die thuis geen tas konden inpakken en bij ons in de keuken een compleet diner voor twaalf mensen op tijd op tafel kregen.
Wat is dan het verschil? Er stond iemand naast ze. Er was een reden. Er was een eerste stap die te doen was. Dat is geen magie, dat is gewoon goed kijken naar wat iemand op dat moment aankan.
Als ouder hoef je dit trouwens niet perfect te doen. Je zit er soms naast, ik ook. Het gaat erom dat je de vraag blijft stellen: kan hij het nu even niet, of wil hij niet? Alleen die vraag stellen verandert de sfeer thuis al.
Ayoub
Ayoub Adardor · eigenaar en begeleider bij APZW
Voor verwijzers en professionals
De woorden onwil, weerstand en ongemotiveerd staan snel in een rapportage, en ze hebben gevolgen: ze sturen aan op consequenties en sluiten soms deuren naar passend aanbod.
Een korte check helpt: vertoont de jongere het gewenste gedrag ergens wél, en onder welke omstandigheden? Zo ja, dan is het probleem contextafhankelijk en niet motivationeel. Wij formuleren doelen daarom bij voorkeur als vaardigheid plus voorwaarde — bijvoorbeeld: kan zelfstandig starten met een taak, mits die in maximaal drie stappen is opgedeeld en er een vast tijdstip aan hangt.
Dat maakt vooruitgang zichtbaar en voorkomt dat een terugval op een zware week als mislukking wordt geregistreerd.
Voor jongeren — even rechtstreeks
Als iets niet lukt, ben je niet lui. Er is verschil tussen niet willen en het op dat moment niet kunnen.
Je hoeft dat verschil niet perfect uit te leggen. ‘Ik kan het nu even niet’ is een hele zin.
Vraag om een kleinere eerste stap in plaats van om meer motivatie.
Je bent niet de enige
Aan de ouderkoffie is dit misschien wel het meest besproken onderwerp. Niet omdat ouders geen grenzen durven te stellen, maar omdat iedereen worstelt met dezelfde vraag: ben ik nu te streng of juist te soft?
Ons antwoord is meestal: je hoeft niet te kiezen tussen streng en zacht. Je kiest tussen een grens en een stap. En welke van de twee nodig is, zie je aan wanneer het wél lukt.
Welke taak lijkt bij jullie op onwil, maar lukt ook op de goede dagen niet?
Wanneer lukt het wél, en wat is er dan anders?
Wat zou er gebeuren als je die taak morgen half zo groot maakt?
Je hoeft niet te reageren. Soms helpt het al om de vraag even te laten landen.
Vraag niet eerst hoe je meer druk zet. Vraag eerst of de stap wel te doen is. Team APZW
APZW · een plek waar je niks hoeft uit te leggen
Telefoon 06 17 31 73 53 · info@apzw.nl · www.apzw.nl · Instagram @adardorpuurzorgenwelzijn
